Ter nagedachtenis van Thérèse Atango, Dr. Enry Lushiku en Dr. Nicolas Mangbau, medewerkers van de Iris Ziekenhuizen Zuid, overleden aan COVID.

Sporen: littekens en indrukken na de ongeziene doortocht van het coronavirus in de Iris Ziekenhuizen Zuid in Brussel in het voorjaar van 2020.

Sporen die bewaard moeten blijven om niets te vergeten van de moed en de zelfopoffering, de angst en het professionalisme van de verpleegkundigen, dokters, zorgkundigen en logistieke medewerkers die het hoofd moesten bieden aan het ongekende. Om deze getuigenissen te bundelen werd een creatief team samengesteld: Deborah Cordier, Kinderpsychologe, Delphine Jarosinski, Communicatieverantwoordelijke in de Iris Ziekenhuizen Zuid en Chiara Moncada, Preventieadviseur (psychosociale aspecten) en medeoprichtster van de PEPS (Psychological & Psychosocial Support Unit). Ze beseften alle drie dat degenen die tijdens de eerste lockdown elke avond applaus kregen, zonder te weten wat ermee te doen, het verdienden om uit de schaduw te treden, uit de groep die de stempel « onze helden » droeg en om een meer individueel gezicht te krijgen.

Ze richtten zich tot twee artiesten, Caroline Lamarche en Gaël Turine. Gaël installeerde een geïmproviseerde studio op de verpleegcampussen waar 145 mensen om beurt plaats namen. Wat daar gezegd en gebeurd is, zal het geheim blijven van de fotograaf en van degenen die erbij waren. Het atelier was een aparte plaats, een soort afgesloten ruimte, een luchtbel waarin een ritueel werd uitgevoerd dat niets gemeen had met gewone therapeutische handelingen. Eerst werd er wat gepraat, de tijd om zich voor te stellen, daarna kon ieder zeggen - of niet - wat op zijn of haar hart lag, iemand in vertrouwen durven nemen, toegeven aan wat gewoonlijk onderdrukt werd. Tenslotte werd het licht gedoofd in deze ruimte waar gedachten en herinneringen zweefden, terwijl Gaël Turine begon te fotograferen, in stilte. Zijn foto’s getuigen van deze beleving. Ze vertellen ons op een onthutsende manier dat er in de kern van onze efficiënte medische systemen, achter alle technische handelingen, apparaten, protocollen en chemie, vrouwen en mannen staan van wie de gezichten niets vergeten van wat zij meemaken.

Caroline liet een vraag rondgaan in het ziekenhuis: « Wat zou u willen zeggen (of schrijven) over de periode die u hebt meegemaakt, en dat enkel u kan zeggen (of schrijven)? ». Ze ontving teksten van uiteenlopende lengte, sommige kort, scherp, andere wat luchtiger, soms vurig, of gewoon feiten - die echter niet minder pakkend waren. Ze schreef ook de opgenomen getuigenissen neer en vervolgens werd deze indrukwekkende oogst gelezen en herlezen. Want schrijvers zijn in de eerste plaats lezers. Ze beschikken over de zeer fijne wetenschap om tussen alle zinnen degenen te herkennen die zich op een juiste en subtiele manier weten te hijsen tot op het niveau van de realiteit. Ze heeft die passages aangestipt doch met aandacht voor het behoud van de context of ze heeft de context toegelicht met het volgende uittreksel, het volgende woord. Ze vergelijkt dit werk met dat van een monteur die de woorden of zinnen niet verandert, maar dat door de opeenstapeling van de klompjes die in haar zeef zijn achterblijven resulteert in een reeks krachtige en betekenisvolle fragmenten.

We lichten een tipje van de sluier op. De sporen die hier werden verzameld zijn als een pleidooi voor nieuwe aandacht, een zorg voor de wereld, een zorg voor anderen die de enige zijn die de gebrachte offers kunnen verwoorden.

Pascal Chabot Filosoof

Ik beheer de sterfgevallen, de orgaanverwijdering, het contact met de families, de samenwerking met de begrafenisondernemer en het gemeentebestuur. Ik bereid de lijken voor. Tijdens de COVID-periode was het erg moeilijk. Ik ging op de COVID-dienst binnen om de lichamen op te halen. Ik was tot alles bereid, zelfs om de autopsiedienst hulp te bieden. Ik was in gevaar omdat ik dode mensen ontving die besmet waren.

In het begin waren de instructies chaotisch. Dus ik dacht erover na. Ik organiseerde mij stap voor stap. Ik was bijvoorbeeld de eerste die besloot om de lijken niet in gesloten zakken te presenteren. Van de tweeënvijftig COVID-doden heb ik een dertigtal familiebezoeken toegestaan. Voor mij was het moeilijk, voor hen was het enorm. In principe kon ik geen enkel bezoek toestaan. Maar ik accepteerde om risico’s te nemen. Zelfs de begrafenisondernemers wilden dat niet. Ik heb zo’n 20 doden helemaal alleen gekist. Ik gaf de families niet meer dan een kwartier om afscheid te nemen, omdat ik bang was dat ik ze anders in gevaar zou brengen. Ik liet het gezicht en de handen zichtbaar. En ik legde een propere kussensloop op de handen zodat familieleden ze konden strelen. Ik voelde me nuttig. Het gezicht van hun dode te kunnen laten zien gaf me kracht.

P., prosector in het mortuarium

Ik werkte op de intensieve zorgen en ik heb een jonge collega van ongeveer vijfendertig jaar ziek zien worden. Hij was zo hard veranderd dat ik hem nauwelijks herkende. Ik dacht bij mezelf: “Ik heb twee kinderen. Geef ik het op of doe ik door?” Mijn man, die mij steunt, zei tegen mij: “Van mij mag je je job opzeggen als je wilt.” Maar ik dacht bij mezelf: “We zijn geen artsen of verpleegkundigen, maar de kamers moeten proper zijn”. Ik ben geboren in een land met veel overtuigingen. Ik ben Cubaanse, en thuis geven we nooit, echt nooit op. In Cuba zeggen we: “En Cuba no se rinde nadie” – in Cuba geeft niemand op. Dus ik deed wat mijn ouders mij hadden bijgebracht: doordoen. Doordoen om mijn team, mijn bazen en de gezondheidssector te ondersteunen. Als er niet wordt gekuist, kunnen de verpleegkundigen en artsen hun werk niet doen. Dus voilà. Ik bleef doordoen.

A., poetsvrouw

Ik had de chirurgie voor één reden gekozen: als we opereren, betekent het dat er nog hoop is voor het leven. En plots was ik patiënten aan het behandelen van wie het levenseinde nabij was. Nu was het onmogelijk om deze ouderen, die geen bezoek mochten krijgen, te vermijden. Onze gezichten, onze stemmen, zijn voor hen totaal onbekend. En we zijn de laatste die ze zien of horen. Ik heb met elk van mijn patiënten de handen vastgehouden, ik heb veel geweend. Ik wist dat mijn hand niet de laatste hand was die ze wilden vasthouden, dat mijn stem niet de laatste stem was die ze wilden horen. Ze wilden hun familie zien. En door de omstandigheden zijn we noodzakelijkerwijze een familie moeten zijn voor hen, voor hun laatste reis.

We moesten zo weinig mogelijk in de kamer blijven, met een dubbel masker en een gezichtsbescherming op. Ook al stopten we nooit – elk half uur, soms elk kwartier, openden we de deur om te zien hoe het ging – er werd niet veel gebeld: ze hadden de kracht niet om op de bel te drukken. Ik ben oorspronkelijk niet echt een tactiel persoon, maar de accumulatie van obstakels heeft de manier waarop ik de patiënten benader, de manier waarop ik ze aanraak, de manier waarop ik naar ze kijk, veranderd.

Het afleggen bestond erin om snel met twee ontsmettingsdoekjes over het lijk te wrijven en die vervolgens in een gesloten zak te gooien om ze weinig mogelijk contact te hebben, om de risico’s te beperken. Dit proces ontmenselijkte de dood op een brutale manier. Gisteravond was deze dame, die hier al vijf dagen was, nog aan het lachen met mij…

C., chirurgisch verpleegster

We hebben zo veel herinneringen van patiënten die wisten dat ze gingen sterven, die niet naar de intensieve zorgen wilden gaan omdat ze liever plaats wilden laten aan jongere mensen, en die vertrokken zijn met een ongelofelijke waardigheid.

Een van onze patiënten nam afscheid van zijn grote familie, kinderen en kleinkinderen, via het scherm. We hebben toen een glas champagne gedronken – hij dronk zo graag champagne – en hij zei daarop: “Nu kan ik rustig vertrekken.” Zo hebben we er veel gehad…

E., arts-pneumoloog en hoofd van de COVID-afdeling

Een vrouw huilde toen een kine haar aanraakte. Ze zei: “ik huil omdat ik alleen ben en al maanden niet meer ben aangeraakt.” We hebben de ziekte gezien, maar de schade die wordt toegebracht door de maandenlange afzondering, daar waren we ons niet van bewust.

F., verpleegster op de COVID-afdeling

Wat mij opviel was de eenzaamheid, zowel bij de verzorgde persoon als bij de verzorger.

De patiënt krijgt geen bezoek, hij is helemaal alleen terwijl hij bij zichzelf denkt “nu ga ik geïntubeerd worden” of “ga ik het halen of niet?” Soms is zijn enige hulp de tablet waarmee hij afscheid neemt van zijn familie… Hij vertrekt helemaal alleen, zonder enige fysieke aanwezigheid van de familie.

Als verzorger op de intensieve zorgen, als je een kamer binnengaat, ben je ook alleen. Alleen om voor de patiënt te zorgen, alleen om via Skype een oproep van de familie te beantwoorden.

Dat is me echt bijgebleven. De eenzaamheid.

D., verpleger op de intensieve zorgen

Het gebeurde op een nacht, op de intensieve zorgen. De dienst lag vol, al onze patiënten waren geïntubeerd. De werkdruk was enorm en we konden niet lang blijven bij patiënten die stilaan ontwaakten om hen gerust te stellen.

Mijn patiënt was een man van in de veertig, zonder bijzondere voorgeschiedenis, vader van jonge kinderen. Het was ’s nachts, hij was alleen in de kamer, en hij weende. Hij bleef maar wenen. Met de buis kon je hem zien huilen, maar er was geel geluid. Hij hield mijn hand vast. Hij wilde niet dat ik wegging, maar ik kon niet blijven.

Ik keek uit het raam en zag een vos de straat oversteken.

Het leven ging door ondanks de nood en de eenzaamheid.

C., verpleegster op de intensieve zorgen

We vervoeren patiënten overal, ook overleden mensen. Bij ons zijn een dokter, een orthopedist en een verpleegkundige gestorven, van vandaag op morgen, het waren aangename personen… Ik heb zelfs een van mijn collega’s zelf naar de uitgang gebracht … Zo is het (tranen). Oh jee, sorry.

Toch hebben we een paar gevechten gewonnen, sommige mensen hebben het overleefd, en eerlijk gezegd is er geen grotere vreugde… Ik kan het niet beschrijven…

O., brancardier

Het ergste moment voor mij? Dat was toen we alle dienbladen leegmaakten en dat ik besefte dat er van heel de zaal maar één yoghurt was opgegeten. Toen dacht ik bij mezelf: we kunnen deze mensen toch niet aan hun lot overlaten, we moeten een oplossing vinden. Ze zijn niet in staat om te eten, ze hebben geen kracht meer. Als je naast de patiënt staat, kan je hem stimuleren, met hem praten, hem tot rede brengen, hem vertellen dat hij er zo doorheen komt. Maar aan de telefoon heeft het niet veel impact: hij wil gewoon met rust gelaten worden.

In het begin mochten diëtisten niet op de COVID-afdeling komen. En toen kregen we toestemming om de kamers binnen te gaan. We waren bij de patiënten. Ons doel was om te voldoen aan hun voedingsbehoeften. We hadden een toffe samenwerking met de keukenploeg, die ons een hoop mogelijkheden gaf.

Ik werk al 20 jaar in de diëtetiek en ik heb nog nooit zo’n sterke verbondenheid rond de patiënt ervaren. En ik weet niet zeker of ik dat ooit nog zal meemaken. Dit multidisciplinaire team rond de patiënt was ideaal. Dat is wat we elke dag zouden willen zien.

V., hoofddiëtiste

Ik heb COVID gehad, maar ik ben teruggekomen om de patiënten te verzorgen. Omdat ik het overleefd had, wou ik een boodschap van hoop uitdragen: we kunnen genezen. Dat was mijn kleine toespraak elke keer als ik een kamer binnenliep… Soms hielp het. Maar soms hadden personen in hun wanhoop moeite om dat in te zien.

D., verpleger op de COVID-afdeling

Ik heb mijn man eerder dit jaar verloren. Hij is vijfendertig jaar buschauffeur geweest. Hij heeft zich als vrijwilliger aangemeld, hier in het ziekenhuis, op de spoeddienst. Hij was mijn tweede echtgenoot. Hij was zo lief. We woonden twaalf jaar samen en waren acht jaar getrouwd. Ik zal nooit vergeten hoe gelukkig ik toen met hem was.

Ik kwam naar het werk. Het deed me goed want thuisblijven? Nee nee. Mijn familie was ertegen: “Je bent drieënzestig, je bent een risicopersoon.” En ik antwoordde: “Nee, dat is mijn werk.” En ik deed het met volle overgave.

Tijdens de COVID-periode heb ik mijn kleinkinderen niet eens gezien. Ik kreeg een foto op een kaart die zij gemaakt hadden: “We missen je.” De kleine was erg gehecht aan mijn man, hij was degene die ze van school afhaalde.

Soms kwam ik uit het ziekenhuis en begon ik te wenen. Dan wandelde ik naar huis, te voet, hier tien minuten vandaan. Voilà…

S., poetsvrouw

We moesten geduldig zijn. Aan de families uitleggen waarom bezoek niet mogelijk was. We moesten het hen doen begrijpen, ook al was het voor sommigen onbegrijpelijk.

C., onthaalbediende

Mijn job was om de patiënten te verwelkomen en in te geven in het systeem, maar ik kon ook een bed of tafel desinfecteren: dat was mijn bijdrage als goede, loyale soldaat.

B., onthaalbediende op de spoeddienst

Mijn collega begon te hoesten en kreeg koorts. Ik hoestte ook veel. Ik kreeg te horen, “Je hebt de symptomen, blijf thuis.” Mijn dokter, ook een Afrikaan, zei tegen mij: “Doe net zoals bij ons in Afrika: drink kruidenthee, neem gember en blijf paracetamol nemen, ’s morgens en ’s avonds.”

Ik sliep dag en nacht.

Na tien dagen kwam ik terug naar het werk. Maar waarom hebben ze ons in het begin in deze omstandigheden laten werken, zonder maskers? Ik heb zo veel vragen en ik ben kwaad, maar tot wie kunnen wij ons richten? Er was geen ondersteuning, niemand zorgde voor niemand. Niemand vroeg naar mij. Het was triest, triest, triest. Er zijn geen woorden voor.

Maar hier zijn we dan. We doen voort.

R., logistiek assistente

In de ogen van de anderen… hoe zal ik het zeggen… ik werk op de technische dienst dus we weten dat… we praten altijd over… over het verplegend personeel en alles… maar ik… Wat ik heb gedaan, ik vind dat dat… Ik was er. Ik was er toen het nodig was en ik gaf nooit op.

En wat heb je precies gedaan?

Ik heb het hier allemaal opgezet met de Directie van de campus. Ik voelde mij nuttig. Voilà.

D., onderhoudstechnicus

Wanneer jullie naar de balie komen, probeer ik altijd de clown uit te hangen en jullie te doen lachen; dat is belangrijk voor mij. Ik luister ook wanneer jullie nood hebben aan een babbel.

Jawel, wij, in de apotheek, kunnen ook goed luisteren. Dus, beste collega’s, doe ons een kleine gunst: wees cooler met onze magazijniers. Ze zijn hier, elke dag nog meer gemotiveerd, om alles wat jullie nodig hebben voor te bereiden. Het is waar dat ze soms de zeurpiet kunnen uithangen, maar ik beloof jullie dat ze alles doen wat ze kunnen om ervoor te zorgen dat jullie niets tekortkomen, daarboven op de verdiepingen.

M., apotheekassistent

Wij zijn geen helden. De echte helden, zijn de verpleegkundigen die op een paar stappen van de loopgraven en granaatinslagen ineenzakken.

Wij zijn geen helden. De teams werden versterkt. En ons loon wordt verzekerd op het einde van de maand. Velen hebben dat geluk niet.

Wij zijn geen helden. Na de storm zullen we weer vergeten worden.

R., hoofdverpleger op de COVID-afdeling

De hele dag door lopen artsen en verpleegkundigen heen en weer. “Snel! Ga een dokter halen!” Ik voel me als een stuiterbal. Gooi hem weg en hij vliegt in alle richtingen. We moeten ons zonder opleiding aanpassen aan nieuwe zorgmiddelen, aan nieuwe manieren van werken.

Terug thuis mogen we vooral niet knuffelen met onze geliefden. We schrobben ons onder de douche alsof ons leven ervan afhangt. Sommige dagen lopen de tranen over onze wagen. Het is voor ons onmogelijk om de gebeurtenissen van de dag te vertellen.

M., logistiek assistente

Werken met gezichtsbescherming, maskers, schorten, tijdens de hittegolf, is erg moeilijk. Deze mensen moeten meer dan terecht worden gefeliciteerd.

Er zijn veel mensen in de keuken die denken dat ze vergeten worden. Want in de media en overal worden de gezondheidswerkers zeer geprezen, en terecht. Toch staan ook wij elke dag klaar om ons werk te doen, net als iedereen.

A., lid van de keukenploeg

Ik ben Marokkaanse. Het is al een jaar geleden dat ik nog naar huis ben geweest, dat ik mijn familie nog heb gezien. Maar een familie, die heb ik hier ook. Het is een klein ziekenhuis, we kennen elkaar goed, het is niet zoals een bedrijf. We hadden tijd om te vallen, te breken en dan terug te komen.

M., postgegradueerde arts op inwendige geneeskunde

De media hebben het niet mooi gespeeld. Persoonlijk heb ik maar een paar dagen TV kunnen kijken. Nadien dacht ik bij mezelf: het is nutteloos, want ik zit er middenin. Ik ben een figurant of een acteur in deze strijd tegen de pandemie.

Wat me echt, echt heeft geraakt, dat waren de patiënten die stierven zonder echt… Ze werden enkel door ons begeleid. Wij waren hun kind, hun geloof, hun… Het zijn mensen die in stilte zijn gestorven.

A., verpleger op de COVID-afdeling

Het eerste wat me opviel was dat we daar binnengingen als in een bubbel, als in een familie. Ieder vergat zijn leven buiten het ziekenhuis en richtte zich op de patiënten. Het was indrukwekkend om te zien hoe de verzorgers zich aan de patiënten wijdden, altijd met een luisterend oor: ik had nog nooit zoiets gezien. Ze hebben de menselijkheid overstegen. Ze moeten heel moeilijke dingen gezien hebben.

C., diëtiste

Vanaf de eerste momenten was er een behoefte om de dingen goed de doen, met een golf van solidariteit: gepensioneerden die belden en zeiden “wij zijn hier om te helpen”, vrijwilligers die zich belangeloos inzetten, brandweerlieden, badmeesters, collega’s die akkoord gingen om van de ene op de andere dag van dienst te veranderen. Ik voelde veel aanwezigheid, een beetje zoals wanneer het begint te sneeuwen en de wegen plots onbegaanbaar zijn en toch gaat iedereen te voet op pad…

P., verantwoordelijke verpleger

De leeftijd en de gezondheidstoestand van de persoon maakte niet uit. Wij vochten voor het leven; mensen laten sterven was geen optie, hoe oud ze ook waren. We hebben er toch veel gered.

Emotioneel gezien waren we veel kwetsbaarder. Ons schild was gebroken. Alles lag open. ’s Nachts hadden we nachtmerries.

M., verpleegster op de COVID-afdeling

COVID heeft problemen aan het licht gebracht die al lang in het ziekenhuis bestaan. Uiteindelijk staat de mens nooit centraal, ook al probeert de maatschappij ons dat te doen geloven.

Deze focus op rendement, deze ontmenselijking, is iets dat me vanbinnen opvreet. We hebben gezondheidswerkers die op straat betogen om dat te veranderen, maar er wordt nooit naar ons geluisterd.

“Jullie zijn onze helden”… Ik hoef niet bedankt te worden, dat is mijn werk. Het is een hype, om de mens centraal te stellen tijdens een crisis, en dan is de crisis voorbij en blijft er niets meer van over.

Anoniem, functie niet vermeld

Mijn zoon en ik knuffelen zeer graag. Het was heel moeilijk om hem niet vast te kunnen nemen. De verpleegster die gestorven is, ze was een moeder… Ongeveer van mijn leeftijd. Dat is wat me bijgebleven is.

S., poetsvrouw

Ik werk in de schaduw. In de schaduw van de kelder. Wij maken beelden. Een virus in beelden omzetten.

F., radioloog

Sorry dat ik maar een nachtverpleegkundige ben, verdoken in haar onzichtbaarheid.

Anoniem

Getuigenissen: Collectif Hôpitaux Iris Sud
Fotografie: Gaël Turine
Redactie en bewerking van de teksten: Caroline Lamarche


Bekijk de making-of van het project